Nederlands innovatie- en ondernemerschapsbeleid: Effectief, maar kwetsbaar
Bron: Consuntancy.nl, 4 mei 2026 - De ambitie om het Nederlandse ondernemings- en vestigingsklimaat tot de wereldwijde top te laten behoren lijkt te worden behaald, maar staat de afgelopen jaren wel onder druk. Dat blijkt uit onderzoek van Birch en SEO Economisch Onderzoek in opdracht van het ministerie van Economische Zaken.
Minister van Economische Zaken en Klimaat Heleen Herbert stuurde op 11 maart de periodieke rapportages Ondernemerschap en Innovatiebeleid naar de Tweede Kamer. Het totaalplaatje: het beleid werkt grotendeels, maar er zijn serieuze kanttekeningen.
De onderzoekers concluderen dat het ondernemerschapsbeleid over het algemeen goed onderbouwd is. Met name het financieringsbeleid – gericht op het verbeteren van toegang tot kapitaal voor mkb en startups – scoort positief. Dienstverlening via de KvK en RVO wordt door gebruikers gewaardeerd. Het intellectueel eigendomsbeleid versterkt de randvoorwaarden voor kennisontwikkeling.
Twee duidelijke pijnpunten
Twee terreinen springen er in negatieve zin uit. Ten eerste het beleid gericht op menselijk kapitaal, dat gaat over maatregelen die moeten zorgen dat ondernemers en bedrijven kunnen beschikken over voldoende en goed gekwalificeerd personeel. De beleidstheorie is zwak, het bewijs voor het sturen op specifiek arbeidsaanbod is mager en het beschikbare instrumentarium is te klein om werkelijk effect te sorteren.
Meerdere departementen vissen bovendien in dezelfde vijver, waardoor verschillende ministeries met vergelijkbare arbeidsmarktinstrumenten dezelfde groep werknemers of werkzoekenden proberen te beïnvloeden.
“Het fiscale pakket sluit onvoldoende aan op de daadwerkelijke knelpunten van het ondernemersklimaat.”
Ten tweede de fiscale ondernemerschapsregelingen: hun legitimatie is beperkt en de gewenste effecten zijn gering. Andersom zijn de neveneffecten, zoals arbeidsmarktverstoring en rent-seeking, aanzienlijk. Zo kan de regeling het normale functioneren van de arbeidsmarkt beïnvloeden. Rent-seeking gaat over gedrag waarbij partijen vooral proberen voordeel uit beleid te halen, in plaats van echt productief te ondernemen.
Het financiële zwaartepunt van het hele ondernemerschapsbeleid ligt juist bij deze fiscale regelingen. Het rapport adviseert geleidelijke afbouw.
Innovatiekoploper, maar 3%-norm blijft een stip aan de horizon
Aan de innovatiekant is het beeld vergelijkbaar genuanceerd. Nederland is en blijft een innovatiekoploper in Europa. De grote generieke instrumenten – de WBSO en de Innovatiebox – bieden een stabiel en voorspelbaar klimaat voor innovatieve bedrijven.
Het toepassingsgerichte kennisstelsel rond de TO2-instellingen functioneert goed. TO2-instellingen zijn publieke onderzoeks- en kennisinstellingen die toegepast onderzoek, kennisontwikkeling en faciliteiten ondersteunen, vaak in nauwe samenwerking met bedrijven en de overheid.
De ambitie om in 2030 minimaal 3% van het bbp aan R&D te besteden wordt echter bij lange na niet gehaald. De investeringen blijven steken rond 2,3%. Dat gat hangt deels samen met de Nederlandse economische structuur. Beleidsinspanningen gericht op structuurverandering zouden volgens de onderzoekers daarom het meeste potentieel hebben.
Het startup- en scale-upbeleid kampt met onduidelijke afbakening, overlap met bredere ondernemerschapsinstrumenten en beperkte budgetten. Initiatieven voor digitale transitie zijn kleinschalig en versnipperd.
“Een verbetering van de samenhang en schaal kan de effectiviteit en efficiëntie van het ondernemerschapsbeleid verder vergroten.”
Sectorspecifieke steun – denk aan steun voor de ruimtevaart, de maritieme industrie en hightech – is volgens het rapport economisch lastig te rechtvaardigen, al kan strategische autonomie er een argument voor zijn. Het kan in specifieke gevallen worden verdedigd als het belang van onafhankelijkheid of geopolitieke weerbaarheid zwaar genoeg weegt.
Te veel doelen, te veel instrumenten
Een rode draad door beide rapportages: versnippering. Er zijn te veel tactische doelen en te veel instrumenten met te kleine budgetten. Ook is er te veel overlap. De onderzoekers pleiten voor vereenvoudiging van de doelenboom en beperking van de complexiteit: minder doelen, minder instrumenten, grotere budgetten waar de evidentie dat ondersteunt.
Het beleid toont volgens het rapport wel lerend vermogen. Voor vrijwel alle ingezette middelen is een recente evaluatie beschikbaar, en regelingen die negatief zijn beoordeeld worden doorgaans aangepast of afgebouwd.
Maar de aandacht voor neveneffecten van beleid – crowding out, moral hazard en onbedoelde marktverstoring – blijft beperkt. Crowding out betekent dat overheidsgeld particuliere investeringen kan verdringen, terwijl moral hazard verwijst naar gedrag waarbij partijen meer risico nemen omdat ze verwachten dat de overheid toch wel ingrijpt.
Kabinetsreactie
De inhoudelijke kabinetsreactie is aangekondigd voor het voorjaar. De rapportages zelf zijn positief beoordeeld door een onafhankelijke deskundige van het Centraal Planbureau.
De vraag is nu of het kabinet de aanbevelingen over fiscale afbouw en vereenvoudiging daadwerkelijk oppakt – of dat de politieke realiteit, zoals de onderzoekers zelf opmerken, ook hier doorslaggevend blijft. Daarmee wordt de komende beleidsreactie interessant: inhoudelijk ligt de richting vrij duidelijk, maar politiek kan de uitvoering alsnog minder rechtlijnig uitpakken.